Launch month: every course and deck free until 25 November with a confirmed account. Join free

Still being built · Report a problem

  1. APRIL!

    APRIL!

  2. Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter.

    That little children often let themselves be fooled—well yes, that is understandable: they are still so innocent, they don't know any better.

  3. Dat groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom.

    That older children, yes, that even grown-up people let themselves be taken in for once in a while, that can happen, and nobody finds it so very terrible; everyone is a little foolish in their turn.

  4. Maar dat een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem vertelt, dat zoo'n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas.

    But that a twelve-year-old boy simply believes right away everything he is told, that such a big boy literally lets himself be spun any tall tale, that really is too foolish.

  5. Nu, en zoo'n jongen heb ik gekend.

    Well, and I used to know such a boy.

  6. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.

    From an innocent big boy he has long since become a handsome, fine gentleman, and if he reads this, he will surely laugh about it just as heartily as you will.

  7. O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven.

    Oh, if I wanted to, I could tell you many fine stories about him; I could easily fill a whole book with them.

  8. Als ik wou--ja, maar ik wil niet.

    If I wanted to—yes, but I don't want to.

  9. Ik kies uit al de grappen, die er met hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar tevreden zijn, hoor!

    Out of all the pranks that happened to him, I am choosing only the very best one, and you will just have to be satisfied with that, mind you!

  10. Nu dan, ons vriendje--Hans heette hij--stond op een goeien morgen in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig juffertje.

    Well then, our little friend—Hans was his name—was standing in the bedroom one fine morning, twirling before a large mirror like a fussy young lady.

  11. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk nog eens van voren.

    First he had to look at himself from the front, then from both sides, then as best he could from behind, and finally once more from the front.

  12. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden.

    Well, handsome he was, that must be said.

  13. Het pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw, en zijn hoed was spiksplinternieuw.

    The suit he was wearing was new, his shoes were brand new, and his hat was brand-spanking new.

  14. O, die spiksplinternieuwe hoed: van fijn stroo; niet met zoo'n kinderachtig laag bolletje, maar flink hoog; niet met zoo'n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden band--daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al.

    Oh, that brand-spanking new hat: made of fine straw; not with such a childish low crown, but nice and high; not with such a silly narrow ribbon around it, but with a wide band—that was what our Hans was proudest of all.

  15. Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor!

    How big and grand he looked now—a fine gentleman indeed!

  16. "Hm, hm, ik mag me laten zien," zei hij hardop, en toen--nam hij voor zijn eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.

    "Hm, hm, I look presentable," he said aloud, and then—he took off his fine hat to his own image in the mirror.

  17. "Hm, hm," klonk daar op eens Moeders stem achter hem,

    "Hm, hm," suddenly came Mother's voice behind him,

  18. "dat ventje heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. 't Duurt nog wel anderhalf uur, eer 't rijtuig voorkomt. En als je nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al 't mooi van je nieuwe kleeren afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon, 'k zou nu maar eene poos naar buiten gaan."

    "that little fellow has stared at himself quite enough by now, I should say. It will be another hour and a half before the carriage arrives. And if you want to stand in front of the mirror for another hour and a half, all the beauty will be stared right off your new clothes. Come, Hans, my son, I would go outside for a while now."

  19. Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin in.

    Hans, my son, walked lingeringly out of the room, downstairs, into the garden.

  20. "Hoor eens, Hans;"

    "Listen, Hans;"

  21. riep zijne moeder hem nog uit het venster na,

    his mother called after him from the window,

  22. "ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet ik wel, hoe 't gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En als 't rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan--flip, flap, gaat de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!"

    "don't go onto the road anymore, stay in the garden instead. Otherwise I know how it goes: you'll waste your time chatting away at Master Martens'. And when the carriage arrives and you aren't there, then—whip, snap, goes the whip over the horses, and we'll drive off without you, Father and I!"

  23. Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen zonder Hans!

    Imagine, Father and Mother going for a drive to the wonderful woods without Hans!

  24. Dat zou me eene mooie grap zijn.

    That would be a fine state of affairs.

  25. Weken, weken lang had hij zich al op dat kostelijk ritje verheugd.

    For weeks and weeks he had already been looking forward to that delightful drive.

  26. Neen maar, òf hij ook op zijn' tijd zou passen!

    No indeed, you can be sure he would watch the time!

  27. Natuurlijk bleef hij dicht bij huis.

    Of course he stayed close to home.

  28. Baas Martens--hij dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. 't Was anders zoo aardig een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en wat grappigs te vertellen.

    Master Martens—he wouldn't dream of going to see him now. Otherwise it was so nice to have a chat with the craftsman: he always knew something new and funny to tell.

  29. En dan onderwijl naar het timmeren kijken, naar 't schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van 't versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag.

    And then in the meantime watching the carpentry, the planing and drilling and sawing and nailing, smelling the lovely scent of fresh wood—my word, Hans liked that so much.

  30. Jammer, dat er een "maar" bij was, een leelijk

    A pity that there was a "but" to it, an ugly

  31. "maar."

    "but."

  32. Je moet weten: Baas Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben.

    You must know: Master Martens could never resist playing a trick on people.

  33. O, hij mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat wijsmaken.

    Oh, he loved to tell them tall tales with the straightest face in the world.

  34. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral--als je Hans heette.--Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was, weet ik niet. 'k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had, nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren.

    You almost had to believe him, especially—if your name was Hans.—How often our Hans had been taken in by the craftsman, I do not know. I also do not know how often Hans's mother had warned him about the craftsman, and how often Hans had resolved never, ever again to listen to the craftsman's idle chatter.

  35. Maar wèl weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken en--dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.

    But what I do know is that Hans always went back to have a chat with Master Martens and—that he regularly let himself be spun another tall tale by him.

  36. Maar nu, neen nu ging hij eens niet.

    But now, no, now he was not going for once.

  37. Moeder had gelijk; hij moest liever bij huis blijven. 't Was in den tuin ook mooi.

    Mother was right; he had better stay near the house. It was lovely in the garden too.

  38. Hans keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar de bloeiende vruchtboomen en heesters.

    Hans looked at the blue sky, at the friendly sunshine, at the blooming fruit trees and shrubs.

  39. Hij keek naar de vogels, die in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden, naar de kikkers, die door 't gras hipten.

    He looked at the birds singing in the trees, at the bees buzzing among the flowers, at the frogs hopping through the grass.

  40. Ja, Hans keek naar dat alles; maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken niet naar hem.

    Yes, Hans looked at all of that; but the trees and the flowers, the birds, the bees, and the frogs did not look at him.

  41. Niemand was er, die naar hem keek.

    There was no one there looking at him.

  42. En--zoo mooi als hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden.

    And—as handsome as he was, he wanted nothing more than to be looked at.

  43. Wat gaf eene bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel om een prachtigen hoed!

    What did a bee care about fine shoes, or a frog about a new suit, or a bird about a splendid hat!

  44. Neen, de jongens van 't dorp, die gaven daar meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen.

    No, the boys from the village cared more about that; they really ought to see and admire him.

  45. Hè, als hij het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken!

    Ah, if he were to walk up to the village, how they would stare their eyes out!

  46. En baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer met zijne gedachten bij den baas ....

    And Master Martens, what would he think... there he was, actually thinking about the craftsman all over again...

  47. Neen, neen, niet naar Baas Martens.

    No, no, not to Boss Martens.

  48. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd ....

    He stayed where he was, as he had promised....

  49. Anderhalf uur, 't was anders wel een heele tijd.

    An hour and a half—that was quite a long time, after all.

  50. Waarom had hij zich ook zoo vroeg gekleed.

    Why had he dressed so early anyway?

  51. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren aan! ....

    Whatever was he to do for so long in his fine clothes!....

  52. Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen, tot de tijd om was.

    Come on, go fetch a book and sit on a bench reading for a bit until time was up.

  53. Maar--'t wou vandaag toch niet recht vlotten met lezen: Hans had te veel andere dingen in 't hoofd.

    But—reading just wouldn't go smoothly today: Hans had too many other things on his mind.

  54. Zijne gedachten en zijne oogen dwaalden telkens af ....

    His thoughts and his eyes kept wandering off....

  55. Wat liep daar eene prachtige tor op 't kiezelpad!

    What a magnificent beetle was walking there on the gravel path!

  56. 't Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt bij de tor.

    The book was quickly placed on the bench, and then he crouched down by the beetle.

  57. "Wat loop je vlug," dacht Hans.

    "How fast you move," thought Hans.

  58. "Wacht eens even, dat ik je beter bekijken kan!"

    "Wait a moment, so I can take a better look at you!"

  59. --Maar het diertje was hem te gauw af, 't verdween op eens in een gaatje.

    —But the little creature was too quick for him; it suddenly disappeared into a tiny hole.

  60. Hans richtte zich weer op.

    Hans stood up again.

  61. Daar viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken.

    There his eye caught a pair of feet peeking out below, and a pair of hands with the top of a head looking over the garden gate.

  62. Voeten, handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.

    Feet, hands, and head belonged to a little farm boy.

  63. Wat moest die daar?

    What was he doing there?

  64. Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken?

    What could he be looking at so curiously?

  65. Naar de bloemen in den tuin?

    At the flowers in the garden?

  66. Och, wat geeft nu zoo'n boerenjongen om bloemen.

    Oh, what does a farm boy like that care about flowers?

  67. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet.

    Surely he wasn't looking at the beetle either.

  68. "Maar waar zou--wacht, 'k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!"

    "But where could—wait, I know: of course he's looking at me!"

  69. dacht Hans trotsch.

    thought Hans proudly.

  70. Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste één, die hem bewonderde.--Kom, hij zou maar eens naar den jongen toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken.

    That was a stroke of luck for vain Hans; now he had at least someone who admired him.—Come, he would just go over to the boy, so he could get a closer look at him too.

  71. En dan zou hij misschien ook eens hooren, dat hij mooi gevonden werd.

    And then he might also hear that he was thought handsome.

  72. De jongen behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.

    The boy, after all, didn't need to know that this was his intention.

  73. Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al dichter en dichter in de buurt van 't hek.

    So Hans strolled up the garden path, looked to the left, pretended as if he didn't care about the farm boy at all, and meanwhile drew closer and closer to the gate.

  74. Maar--toen hij er eindelijk vlak bij stond, waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien: de heele jongen was op eens verdwenen!

    But—when he finally stood right next to it, there were no feet, hands, or head to be seen anymore: the whole boy had suddenly disappeared!

  75. Hans keek eerst op zijn' neus.

    Hans was taken aback at first.

  76. Toen--deed hij het tuinhek open en ging een eindje den weg op.

    Then—he opened the garden gate and walked a little way up the road.

  77. Hij moest toch eens zien, waar de jongen gebleven was.

    He simply had to see where the boy had gone.

  78. O, daar zag hij hem al.

    Oh, there he saw him already.

  79. Wat liep hij hard.

    How fast he was running!

  80. "Zeker bang voor me geworden," dacht Hans,

    "Probably became afraid of me," thought Hans,

  81. "wie weet, of hij me niet voor een' heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo'n boerenjongen ook! Kom, ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van 't dorp is het, geloof ik niet."

    "who knows if he didn't mistake me for a gentleman with my fine hat. Oh well, what a farm boy! Come, I ought to look a bit further to see where he's going. I don't think he's a village boy."

  82. Hans liep den weg verder op.

    Hans walked further up the road.

  83. "Tot aan de eerste bocht," zei hij,

    "Up to the first bend," he said,

  84. "en dan keer ik om."

    "and then I'll turn back."

  85. --Nu was hij bij de eerste bocht.

    —Now he was at the first bend.

  86. De jongen was heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans wel iets anders.

    The boy was nowhere to be seen far and wide; but right there at the bend, Hans did see something else.

  87. En dat was--de werkplaats van Baas Martens!

    And that was—Boss Martens' workshop!

  88. Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken.

    There stood the boss in front of his door, hard at work.

  89. Hij floot een vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam los.

    He whistled a cheerful tune while diligently chopping away at a thick tree trunk.

  90. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven de spaanders in 't rond, lekker geurde het versche hout.

    The axe gleamed merrily in the bright sunshine, the woodchips flew lively all around, and the fresh wood smelled delightful.

  91. Hans kon het niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen.

    Hans couldn't help himself; he just had to walk past the workshop.

  92. Ophouden behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen zeggen--even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was en ook--zich even vertoonen met zijne mooie kleeren.

    He didn't need to stop, after all, just to say a quick good morning—to see how far the boss had progressed with the tree trunk and also—to show off his fine clothes for a moment.

  93. Vooral den nieuwen hoed moest de baas zien.

    Especially the new hat, the boss simply had to see.

  94. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!

    In the past, he had teased him so often about his ugly caps and hats, but now he was going to see something different!

  95. Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam voor Baas Martens in 't voorbijgaan deftig den hoed af.

    So Hans strolled slowly, very slowly past the workshop and politely tipped his hat to Boss Martens in passing.

  96. De baas liet de bijl in 't hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen.

    The boss let the axe rest in the wood, put his hands in his pockets, tilted his head slightly to one side, and looked Hans up and down.

  97. Toen met een guitig knipoogje:

    Then, with a roguish wink:

  98. "Ben je 't of ben je 't niet, jongeheer? Lang niet kwaad, dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?"

    "Is it you or isn't it, young master? Not bad at all, that hat. Where are you heading so finely dressed this early in the morning?"

  99. Hans bleef staan.

    Hans stopped.

  100. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch zei hij zoo onverschillig mogelijk:

    He blushed with pleasure and pride; yet he said as casually as possible:

  101. "Och ja, 't is omdat we straks uit rijden gaan, weet je."

    "Oh well, it's because we're going for a drive later, you know."

  102. "Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?"

    "Is that so, going for a drive with that new hat, that new suit, and those new shoes?"

  103. vroeg de baas.

    asked the boss.

  104. "Hoe zoo?"

    "Why do you ask?"

  105. zei Hans.

    said Hans.

  106. Geen antwoord.

    No answer.

  107. Alleen keek de baas met een bedenkelijk gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer naar de lucht.

    The boss only looked at the sky with a dubious expression, then at Hans, then back at the sky.

  108. "Hoe zoo?"

    "Why do you ask?"

  109. vroeg Hans weer.

    Hans asked again.

  110. "Nu, ieder moet weten, wat hij doet," zei de baas eindelijk,

    "Well, everyone must do as they see fit," said the boss at last,

  111. "maar ik weet wel: ik ging niet uit rijden met zulk weer."

    "but one thing I know: I wouldn't go for a drive in weather like this."

  112. "Met zulk weer!"

    "In weather like this!"

  113. lachte Hans,

    laughed Hans,

  114. "neen maar, er is geen wolkje aan de lucht. 't Is het prachtigste weer van de wereld."

    "why, there isn't a cloud in the sky. It's the most wonderful weather in the world."

  115. "O zoo," zei de baas,

    "Oh really," said the boss,

  116. "weet jij 't beter dan ik, die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden."

    "do you know better than I, who am so much older? Did you perhaps pull that wisdom out of your new hat? Then I'd better just keep quiet."

  117. Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden.

    Hans was starting to get a little anxious now.

  118. Met eene stem, die wel wat benauwd klonk, vroeg hij:

    In a voice that sounded rather anxious, he asked:

  119. "Maar Baas, hoe weet je toch, dat het weer veranderen zal?"

    "But Boss, how do you know the weather will change?"

  120. De baas wees naar 't haantje van den dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde.

    The boss pointed to the weathercock on the village tower, glimmering through the trees.

  121. "Kijk maar, de wind is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden, over een paar uur regent het er frischjes op los!"

    "Just look, the wind has shifted; it's coming from the rainy quarter now. Mark my words, in a couple of hours it'll be raining briskly!"

  122. Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon te hakken, alsof er niets gebeurd was.

    Once he had said that, the boss grabbed his axe again and began chopping as if nothing had happened.

  123. De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest.

    Poor Hans didn't quite know what to make of it.

  124. Keek hij naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf:

    When he looked at the bright blue sky, he comforted himself:

  125. "Praatjes van dien regen!"

    "Nonsense, all this talk of rain!"

  126. Keek hij naar 't ernstige gezicht van den baas, dan dacht hij:

    When he looked at the boss's serious face, he thought:

  127. "'t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle pret ging bederven!"

    "Still, it would be terrible if the rain ruined all the fun!"

  128. De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig door.

    The boss paid no more attention to Hans, but calmly carried on working.

  129. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas nog wat zeggen zou.

    And yet Hans remained standing there, as if he expected the boss would say something more.

  130. Het schreien stond onzen held op 't laatst nader dan 't lachen.

    In the end, our hero was closer to tears than to laughter.

  131. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei zoo bij zijn neus langs:

    After this had gone on for a little while and Hans still wouldn't leave, the boss glanced up from his work and said casually:

  132. "Er is wel een middeltje om te maken, dat er geen regen komt."

    "There is a little trick to make sure no rain comes."

  133. --Het heele gezicht van Hans klaarde op.

    —Hans's whole face brightened.

  134. "Wat dan?"

    "What is it then?"

  135. riep hij vroolijk.

    he cried cheerfully.

  136. "Wel," zei de baas heel leuk,

    "Well," said the boss, quite coolly,

  137. "we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek gaat waaien, dan is alles in orde."

    "we need to manage to get the wind to blow from another direction, and then everything will be fine."

  138. "Ja, ja," riep Hans,

    "Yes, yes," cried Hans,

  139. "als dat kon!"

    "if only that were possible!"

  140. "O, dat kan wel," zei de baas, "er is een touw, waarmee je den wind kunt laten draaien. Maar"--en hij lei bedenkelijk zijn' wijsvinger tegen den neus--

    "Oh, that's certainly possible," said the boss, "there is a rope you can use to make the wind change direction. But"—and he thoughtfully placed his index finger against his nose—

  141. "waar zit dat ding op 't oogenblik! Als we dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen, de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal 't hem vragen."

    "where is that thing at the moment! If only we knew that. Hold on, maybe my neighbor Jansen, the clog maker, knows. If I'm not mistaken, he had the rope in his house for a while. Come along, I'll ask him."

  142. Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar 't huis van den buurman.

    Master Martens set down his axe and went with Hans to the neighbor's house.

  143. "Hei, Jansen," riep de baas,

    "Hey, Jansen," called the master,

  144. "waar zit je?"

    "where are you?"

  145. Dadelijk kwam Jansen voor 't open raam en vroeg, wat er te doen was.

    Jansen immediately came to the open window and asked what was going on.

  146. Zonder dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij gauw een knipoogje.

    Without Hans noticing, Master Martens pointed at him and quickly gave Jansen a wink.

  147. Toen zei hij:

    Then he said:

  148. "Treft het niet ongelukkig, Jansen, hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw, om den wind te laten draaien, wezen kan?"

    "Isn't this unfortunate, Jansen? Here is a young gentleman who has to go for a drive shortly, and now the wind is blowing from just the wrong direction. Tell me, do you happen to know where the rope to turn the wind might be?"

  149. "Het touw, om den wind te doen draaien?"

    "The rope to turn the wind?"

  150. vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens,

    asked Jansen with a face as though he were giving it serious thought, and with a subtle wink at Master Martens,

  151. "ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer."

    "I believe.... Wait a moment, I'll be right back."

  152. Jansen verdween.

    Jansen disappeared.

  153. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den drempel van de deur met een dik boek onder den arm.

    A moment later he reappeared on the threshold of the door with a thick book under his arm.

  154. Nu nam hij zijn' bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het boek.

    Now he took his glasses, put them on calmly, and began flipping pages and searching in the book.

  155. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep:

    At last he slapped a page with his hand and called out:

  156. "Ha, nu ben ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. 'k Herinner 't me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn' tuin gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid."

    "Ah, now I've got it. It says here: the rope is at Teunissen's, the grocer. I remember it very well now: Teunissen had planted peas in his garden, but they wouldn't come up in this dry weather. So he got the rope and turned the wind toward the rain quarter."

  157. "Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit," zei Baas Marlens,

    "Is that so, it's at Teunissen's? Well, that's awkward," said Master Martens,

  158. "de jongeheer heeft haast, hij zal geen' tijd hebben, om er nog even heen te loopen."

    "the young gentleman is in a hurry, he won't have time to run over there for a moment."

  159. Maar Hans bedacht zich niet lang.

    But Hans didn't think twice.

  160. Zonder iets te zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde.

    Without saying a word, he shot forward like an arrow from a bow and ran as fast as he could in the direction where Teunissen lived.

  161. Twee--driemaal vloog hem onderweg de nieuwe hoed van 't hoofd.

    Two or three times along the way, his new hat flew off his head.

  162. Zijn mooie pak, zijne glimmende schoenen, alles kwam dik onder 't stof.

    His fine suit, his shiny shoes, everything became thick with dust.

  163. Maar dat kon hem nu weinig schelen.

    But he cared little about that now.

  164. Hij dacht maar aan één ding: het mocht en het zou niet regenen.

    He thought of only one thing: it must not and would not rain.

  165. De wind moest draaien.

    The wind had to turn.

  166. Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den winkel van Teunissen binnen.

    Finally, panting and blowing, completely out of breath, he rushed into Teunissen's shop.

  167. "Teunissen ...."

    "Teunissen...."

  168. hijgde Hans,

    panted Hans,

  169. "is hier ook ...."

    "is there also...."

  170. "Drop te koop?"

    "Licorice for sale?"

  171. maakte Teunissen er met een guitig lachje bij.

    Teunissen added with a roguish smile.

  172. "O ja, jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout zijn?"

    "Oh yes, young master, black and white, whichever you prefer. Or should it be licorice root?"

  173. --Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar hij eigenlijk om kwam.

    --It took a little while before Hans could explain to him what he had actually come for.

  174. Teunissen zette groote oogen op.

    Teunissen opened his eyes wide.

  175. "Wàt moet je hebben?!"

    "You need *what*?!"

  176. riep hij.

    he cried.

  177. "Wel, het touw, om den wind te doen draaien," zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht.

    "Well, the rope, to make the wind turn," said Hans once more, with an innocent face.

  178. "Ze zeiden toch, dat het hier moest zijn."

    "They said it was supposed to be here, after all."

  179. --Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans niets merken zou.

    --Then suddenly, Teunissen almost burst out laughing; but fortunately he held back and pretended to wipe his face with his apron, so that Hans wouldn't notice anything.

  180. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van--als je zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.

    Well, Hans didn't notice much of it either--when you have such weighty matters on your mind, you don't pay attention to trifles.

  181. "Nu?"

    "Well?"

  182. vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen antwoord gegeven had,

    asked Hans, a little impatiently, because Teunissen had not yet answered,

  183. "kan ik het touw krijgen?"

    "can I get the rope?"

  184. "Wacht eens, jongeheer," zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon,

    "Hold on a moment, young master," said Teunissen now, as seriously as he could,

  185. "ik zal mijne vrouw even gaan vragen."

    "I'll just go ask my wife."

  186. Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel.

    Teunissen vanished through a door in the back of the shop.

  187. Hans bleef alleen.

    Hans was left alone.

  188. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken.

    With an anxiously beating heart, he stood close to the door listening to what the grocer and his wife were saying to each other.

  189. Wat praatten ze druk!

    How busily they were talking!

  190. Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het touw zouden geven of niet.

    They surely did not agree with each other on whether they should give the rope or not.

  191. O, verbeeld je eens, als ze het houden wilden, wat dan!

    Oh, just imagine, if they wanted to keep it, what then!

  192. Hans zette bij die gedachte zoo'n treurig benauwd gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met hem kregen.

    At that thought, Hans pulled such a sad, anxious face that even the sugar loaves in the shop took pity on him.

  193. Nu verstond hij enkele woorden.

    Now he understood a few words.

  194. De vrouw zei "neen".

    The woman said "no".

  195. Daarop zei de man "ja".

    To that, the man said "yes".

  196. Toen zei de vrouw weer:

    Then the woman said again:

  197. "Zijn vader zal boos worden;"

    "His father will get angry;"

  198. waarop de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond.

    to which the man replied something that Hans did not understand.

  199. "O, die nare vrouw Teunissen," dacht Hans.

    "Oh, that nasty Mrs. Teunissen," thought Hans.

  200. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand.

    Ordinarily he quite liked her; she would occasionally slip some delicacy or other into his hand.

  201. Maar nu--zij zou nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!

    But now--it would be her fault if all the fun of the drive was spoiled!

  202. Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer te voorschijn.

    At last, at last, the door opened, and Teunissen reappeared.

  203. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel binnen.

    Right behind him, his wife also came into the shop.

  204. Haar gezicht stond half boos.

    Her face looked half angry.

  205. Zonder dat haar man het merkte, maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand.

    Without her husband noticing, she made all sorts of signs to Hans; but Hans understood nothing of her winks and all those hand gestures.

  206. Wat had dat toch te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens merkte, wat zijne vrouw achter zijn' rug deed!

    What could that possibly mean, and why did Teunissen grow sad when he suddenly noticed what his wife was doing behind his back!

  207. Waarom zeiden ze niet gewoon weg "neen" of "ja"!

    Why didn't they just say "no" or "yes"!

  208. Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo'n mooien hoed op had en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen.

    Why did Mrs. Teunissen now come up to him and say so very kindly that he had such a fine hat on and that he really shouldn't run so hard again.

  209. Waarom stopte ze hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in de hand?

    Why did she slip a few thick pieces of liquorice into his hand with a pitiful face?

  210. Wat moest dat alles toch!

    What was all this supposed to mean!

  211. Ze zou hem maar liever het touw geven.--Maar Teunissen zei:

    She had better just give him the rope.--But Teunissen said:

  212. "'t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig vergist: het touw is op 't oogenblik bij Pietersen, die wou graag regen hebben op zijne erwtjes."

    "I am very sorry, young master, but my wife says we don't have the rope. Master Jansen was surely mistaken: the rope is currently with Pietersen, who wanted rain on his peas."

  213. Arme Hans, wat eene teleurstelling!

    Poor Hans, what a disappointment!

  214. Maar kom, tijd om er lang over te treuren had hij niet.

    But come, he didn't have time to mourn over it for long.

  215. Als de wind moest hij nu maar naar Pietersen; want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind van Teunissen af.

    Like the wind he now had to hurry to Pietersen; for it was getting later and later, and Pietersen lived a long way from Teunissen.

  216. Pietersen zat buiten op eene bank in 't zonnetje en bekeek op zijn gemak zijne bloemen.

    Pietersen was sitting outside on a bench in the sun, leisurely looking at his flowers.

  217. Nero, de groote dog, lag naast hem in 't gras te slapen.

    Nero, the large mastiff, was sleeping beside him in the grass.

  218. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij de heele bank met Pietersen en al omver wou loopen.

    There came Hans running so fast that it seemed as if he wanted to knock over the whole bench, Pietersen and all.

  219. Pietersen liet van schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat hooren en zien je verging.

    Pietersen dropped his pipe from his mouth in fright, and Nero began to bark deafeningly.

  220. Pas toen de hond een beetje bedaard was, kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als een dolleman den tuin in kwam vliegen.

    Only when the dog had calmed down a bit could Pietersen ask what Hans actually wanted and why he came flying into the garden like a madman.

  221. "Och, Pietersen," zei Hans, nog buiten adem,

    "Oh, Pietersen," said Hans, still out of breath,

  222. "ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind mee draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen, zegt Baas Martens, en--ik ga straks uit rijden. Ze hebben me hierheen gestuurd om het touw."

    "I would so like to have the rope with which you can turn the wind. The way the wind is now, we shall surely get rain, Master Martens says, and--I am going for a drive later. They sent me here for the rope."

  223. Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing aan: hij begreep er niets van.

    All the time Hans was talking, Pietersen looked at him in great astonishment: he didn't understand it at all.

  224. "Hans, mijn jongen, zeg het nog eens weer. Je wilt van me hebben ...."

    "Hans, my boy, say it once more. You want from me ...."

  225. En toen nu Hans heel onschuldig nog eens 't zelfde gezegd had, begon Pietersen zoo te schateren van 't lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te worden.

    And now when Hans had said the same thing once more quite innocently, Pietersen began to roar with laughter so much that Nero bounded up again and barked deafeningly.

  226. Pietersen lachte, lachte, dat hem de tranen over de wangen liepen, en hij riep maar aanhoudend:

    Pietersen laughed and laughed until tears ran down his cheeks, and he kept shouting:

  227. "Neen maar, Hansje, wat heb je daar eene prachtige grap bedacht, zoo'n mooie heb ik van mijn leven nog niet gehoord. Het touw, om ...."

    "Well I never, Hansje, what a wonderful joke you have thought up there, I haven't heard such a good one in all my life. The rope, to ...."

  228. En dan barstte hij opnieuw in lachen uit.

    And then he burst into laughter all over again.

  229. Hans werd er verlegen onder.

    Hans grew embarrassed by it.

  230. "'t Is geene grap," bromde hij half boos en toch met tranen in de oogen,

    "It is no joke," he muttered half angrily and yet with tears in his eyes,

  231. "heelemaal niet. Toe, Pietersen, geef me als 't je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen."

    "not at all. Come on, Pietersen, please give me the rope, you can have it back tomorrow."

  232. Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in 't gezicht.

    Now Pietersen took another good look at Hans's face.

  233. Wezenlijk--de jongen meende 't!

    Really--the boy actually meant it!

  234. "Wou je 't dan heusch zoo heel graag hebben?"

    "Did you really want to have it that badly then?"

  235. "Nu òf ik," zei Hans,

    "Well, I certainly did," said Hans,

  236. "'k heb er al een uur om geloopen."

    "I've been running around for an hour for it already."

  237. "Och, zeg dat nog eens," vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier.

    "Oh, say that again," asked Pietersen, his eyes shining with delight.

  238. "Ik heb er al een uur om geloopen," herhaalde Hans heel geduldig.

    "I've been running around for an hour for it already," Hans repeated very patiently.

  239. "Een uur lang, jongen, dat is een slim ding," zei Pietersen leuk,

    "For a whole hour, boy, that's a tricky thing," said Pietersen drily,

  240. "want nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak bij zal morgen een feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters gestuurd, om het touw te halen. Je begrijpt, op zoo'n feest moet het mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar rijden de veldwachters juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen kunt, dan haal je ze misschien nog in."

    "because now you have to get running again. There's going to be a festival in a village nearby tomorrow, and just now the mayor sent a couple of constables to fetch the rope. You understand, for a festival like that the weather has to be nice, so I couldn't really refuse. Wait a moment, there go the constables riding past on horseback right now. Run as fast as you can, and maybe you'll still catch up with them."

  241. In drie sprongen was Hans bij het hek.

    In three bounds Hans was at the gate.

  242. Toen den weg opgedraafd, de paarden achterna.

    Then off he trotted down the road, chasing after the horses.

  243. Hans werd vuurrood in 't gezicht van 't harde loopen en van 't roepen:

    Hans turned bright red in the face from running so hard and shouting:

  244. "Hei daar, ho, veldwachters!"

    "Hey there, whoa, constables!"

  245. Maar je begrijpt, al dat gevlieg en geroep hielp ook wat!

    But as you can imagine, all that rushing and shouting didn't help much!

  246. Hans kwam niets dichter bij de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet.

    Hans got no closer to the horses, and the constables didn't hear him.

  247. En toch gaf hij het nog niet op.

    And yet he still did not give up.

  248. Och, och, dat touw, hij moest het hebben!

    Oh dear, oh dear, that rope, he simply had to have it!

  249. Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij den arm vatte en tegenhield, 't Was vrouw Teunissen, de vrouw van den kruidenier, je weet wel.

    Just as he dashed around another bend in the road, someone grabbed him by the arm and held him back. It was Mrs. Teunissen, the grocer's wife, you know.

  250. "Laat me los, het touw, het touw," riep Hans, en hij deed al zijn best, om vrij te komen.

    "Let me go, the rope, the rope," cried Hans, and he tried with all his might to break free.

  251. Maar vrouw Teunissen hield hem stevig vast.

    But Mrs. Teunissen held him fast.

  252. "Luister eens even naar me, mijn jongen," zei ze goedig.

    "Listen to me for a moment, my boy," she said kindly.

  253. "Je hebt er stellig niet aan gedacht, dat het de eerste April is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen, dat weet je. Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad, Martens en de anderen. Zoo'n touw is er heelemaal niet. Straks in den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je begreep me niet."

    "You surely haven't thought about it being April Fools' Day. People do like to play tricks on one another on that day, as you know. Well, my boy, Martens and the others played a prank on you, too. There is no such rope at all. Earlier in the shop I took all the trouble to try and warn you, but you didn't understand me."

  254. Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen.

    There Hans stood with a very long face, ashamed and embarrassed.

  255. Voor niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets zich doodmoe geloopen.

    So he had worried himself for nothing, run himself to exhaustion for nothing.

  256. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen en--op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. 't Was verschrikkelijk!

    For nothing he might now arrive home too late and--to top it all off--be laughed at by everyone. It was terrible!

  257. O, die leelijke Martens, die ....

    Oh, that nasty Martens, who ....

  258. En van boosheid gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte in tranen uit.

    And out of anger he threw his fine hat onto the ground and burst into tears.

  259. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo boos op zichzelf was):

    Mrs. Teunissen picked the hat up again, smoothed the ribbon, and said comfortingly (for she thought that Hans was so angry with himself):

  260. "Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. 't Kan den beste overkomen, dat hij eens gefopt wordt. Je moet maar denken: dat is eens, maar nooit weer!"

    "Now, now, Hans, it isn't all that bad. It can happen to the best of us to get fooled sometimes. You must just think: that's once, but never again!"

  261. Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.--Wat zouden ze thuis wel zeggen.

    With his head bowed, Hans walked up the road toward home.--What would they say at home.

  262. O, o, wat schaamde hij zich!

    Oh, oh, how ashamed he was!

  263. Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde.

    But Hans's misfortunes were not yet at an end.

  264. Dichtbij huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af.

    Close to home, a troop of village boys came up to him.

  265. Hans zag dadelijk, dat ze niet veel goeds in den zin hadden--hij wou nog moeite doen, om te ontsnappen.

    Hans saw at once that they were up to no good--he still wanted to make an effort to escape.

  266. Maar dat was mis--de jongens hadden door Baas Martens van 't geval gehoord, en nu vonden ze 't natuurlijk veel te mooi, om Hans niet eens duchtig te plagen.

    But no such luck--the boys had heard of the incident through Master Martens, and now they naturally found it far too wonderful not to tease Hans thoroughly.

  267. In een oogenblik stonden ze dicht om hem heen.

    In a moment they were standing close around him.

  268. Eerst was het roepen van:

    First came shouts of:

  269. "Heb je het touwtje al in je zak?"

    "Do you have the string in your pocket already?"

  270. of

    or

  271. "Ben je ook moe van het trekken?"

    "Are you tired from pulling, too?"

  272. of

    or

  273. "Waren de erwtjes al opgekomen?"

    "Had the peas come up yet?"

  274. en al zulke plagerijen meer.

    and all such further taunts.

  275. En telkens, als er weer een wat grappigs gezegd had, schaterde de heele troep het uit van lachen, 't Was niet om uit te houden voor den armen Hans.

    And every time another one said something funny, the whole crowd roared with laughter; it was unbearable for poor Hans.

  276. Hij probeerde een paar van de jongens op zij te duwen, om zoo door den troep heen te komen.

    He tried to push a few of the boys aside in order to get through the crowd.

  277. Maar nu werd het er nog niet beter op: van roepen en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat gaat zoo onder jongens.

    But now things got even worse: shouting and teasing turned into hitting, pushing, and punching, as so often happens among boys.

  278. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen één, dat houdt niemand vol.

    Hans defended himself bravely; but so many against one is more than anyone can bear.

  279. Het duurde niet lang, of zijn jasje was gescheurd en zijn hoed ....

    It was not long before his jacket was torn and his hat...

  280. Och heden, de nieuwe mooie hoed, waar Hans zoo trotsch op was, werd hem op 't hoofd platgedeukt!

    Oh dear, the fine new hat that Hans was so proud of was crushed flat right on his head!

  281. En wie weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er niet een paar mannen aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen ....

    And who knows what else might have happened if a few men had not arrived and chased the naughty boys away...

  282. Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed bedorven en--met een' neus, wel tweemaal zoo dik als anders en vuurrood.

    Hans arrived home with his fine clothes torn and covered in dust, his hat ruined, and—with a nose at least twice as thick as usual and bright red.

  283. "Maar jongen," riep zijne moeder verschrikt,

    "But child," exclaimed his mother in alarm,

  284. "wat is er in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!"

    "what on earth happened to you? Look at you!"

  285. "Verdiende loon," zei de vader streng,

    "Serves him right," said his father sternly,

  286. "waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water op den neus leggen, terwijl wij weg zijn. Met een' jongen, die er zoo uitziet, kunnen we ons toch niet voor de menschen vertoonen."

    "why did he run off instead of making sure to be on time. Betje had better put a rag with cold water on his nose while we are away. After all, we cannot show ourselves in public with a boy who looks like that."

  287. "Terwijl wij weg zijn," had Vader gezegd.

    "While we are away," Father had said.

  288. Dus: Vader en Moeder zouden uit rijden zonder hem!

    So: Father and Mother were going out for a drive without him!

  289. O, dat was vreeselijk, dat was nog het ergst van al.

    Oh, that was terrible, that was the worst of all.

  290. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden neus stroomden.

    Hans wept so that the tears streamed down his swollen, red nose.

  291. Moeder kreeg medelijden en wou nog een goed woordje voor hem doen; maar Vader hield vol.

    Mother took pity on him and wanted to say a good word for him, but Father stood firm.

  292. Het rijtuig stond al eene heele poos voor de deur, en de paarden konden niet langer wachten.

    The carriage had already been waiting in front of the door for a good while, and the horses could wait no longer.

  293. Flip, flap!

    Crack, snap!

  294. ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had, voort vlogen de paarden en--Hans was alleen met zijn verdriet.

    went the whip, just as Mother had said in jest earlier, away the horses flew, and—Hans was left alone with his grief.

  295. Wat een treurige dag was dat voor Hans!

    What a sad day that was for Hans!

  296. Hij wist later nog niet, hoe hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd kwam, om naar bed te gaan.

    He still did not know afterwards how he had ever gotten through all those long hours before the time came to go to bed.

  297. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor 't venster: als de jongens hem zagen, zouden ze opnieuw beginnen te plagen.--In lezen had hij geen' lust, in spelen nog minder: hij was veel te verdrietig, veel te boos, en zijn neus deed hem te veel pijn.

    He did not dare go into the garden, nor even stand in front of the window: if the boys saw him, they would start teasing him all over again.—He had no desire to read, and even less to play: he was far too sad, far too angry, and his nose hurt him far too much.

  298. Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was.

    Very early on he crept into bed, and no sooner was he asleep than he was already dreaming of everything that had happened to him that day.

  299. Weer draafde hij over den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was.

    Once again he trotted down the road, chasing after the rope that was nowhere to be found.

  300. Daar op eens voelde hij ook weer juist als dien morgen eene hand op zijn' arm, om hem tegen te houden.

    Then suddenly, just as that morning, he felt a hand on his arm again, holding him back.

  301. Maar 't was niet de hand van vrouw Teunissen--het was--het was de hand van zijne eigen lieve moeder!

    But it was not the hand of Mrs. Teunissen--it was--it was the hand of his own dear mother!

  302. En--hij liep ook niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en zijne moeder zat op een' stoel bij hem en hield zijne hand in de hare.

    And--he was not running panting along the dusty road either; instead he was lying quietly in his bed, and his mother was sitting on a chair beside him, holding his hand in hers.

  303. "O, Moeder, ik heb zoo'n verdriet," zuchtte Hans en hij liet zijn hoofd op Moeders schouder vallen.

    "Oh, Mother, I am so sad," sighed Hans, letting his head fall onto Mother's shoulder.

  304. "Dat geloof ik graag, mijn jongen," zei Moeder,

    "I can well believe that, my boy," said Mother,

  305. "maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is."

    "but tell me now, how did it all happen?"

  306. Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; maar vooral op Baas Martens.

    Then Hans began to tell the story, and the longer he talked, the angrier he grew at Pietersen, Teunissen, and Jansen; but especially at Master Martens.

  307. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was 't eerst begonnen, hem wijs te maken, dat er zoo'n touw bestond.

    Yes, he was really to blame for everything; he had been the first to trick him into believing that such a rope existed.

  308. En toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat.

    And then the others had simply parroted Master Martens.

  309. O, hij zou wel eens wat verzinnen, om ze terug te plagen, hij zou ....

    Oh, he would devise something to tease them back, he would ....

  310. Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand op zijn' mond en zei:

    When Hans reached that point, his mother gently placed her hand over his mouth and said:

  311. "Stil, stil, mijn jongen, zeker ben je nog heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, dat zekere Hans tegen het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen, dat dezelfde Hans onnoozel genoeg was, alles dadelijk te gelooven, wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet, dat jij zelf de grootste schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je vandaag gehad; maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een beetje wijzer door geworden bent.--Als iemand nu in 't vervolg iets vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken bij zichzelf: 'Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?' Mij dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk meer laten foppen, is 't wel?"

    "Hush, hush, my boy, you must still be completely upset, otherwise you wouldn't talk like that. Is Master Martens alone to blame? Can he help it that a certain Hans ran to him against his mother's orders? Can he help it that the same Hans was foolish enough to immediately believe everything he was spun a yarn about? Hans, my boy, don't you see that you yourself are most to blame? You have had a whole lot of sorrow today; but I hope, no, I am quite sure, that you have also grown a little wiser from it.--If someone tells you something in the future that seems a bit strange, my Hans certainly won't just believe everything straight away. First, he will think to himself: 'Is that really so, can it be true? Is it perhaps a joke?' It seems to me he won't let himself be fooled so easily again, will he?"

  312. "O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven," riep Hans.

    "Oh, no, no, Mother! I never want to believe anything again," cried Hans.

  313. "Ho, ho, jongenlief, zoo is 't ook weer niet gemeend," zei Moeder lachend.

    "Now, now, dear boy, that isn't what I meant either," said Mother with a laugh.

  314. "Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, denk wat beter na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je gelooven kunt en wat niet.--Maar kom, jongen, 't is nu geen tijd, om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en dan--slapen. Morgen zullen we eens zien, of we den nieuwen hoed ook weer in 't fatsoen kunnen brengen. En later--gaan we samen, met ons drietjes, ook nog eens--rijden!"

    "Believing everything is far too much, believing nothing is far too little. Just use your little head a bit better, think things through a bit more when people tell you something. Then you will know soon enough what you can believe and what you cannot.--But come, boy, now is no time to talk any longer. A fresh cloth on that nasty nose, and then--sleep. Tomorrow we will see if we can get the new hat back into shape. And later--the three of us will go for a ride together!"

  315. "O, Moeder, wat ben je toch lief," riep Hans en hij kuste haar en pakte haar,

    "Oh, Mother, you are so sweet," cried Hans, kissing her and hugging her,

  316. "wat ben je toch lief!"

    "you are so sweet!"

  317. Dat was de geschiedenis.

    That was the story.

  318. En 'k wil er nog bijvertellen, dat Hans van dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel wat minder geloofde en heel wat meer nadacht.

    And I would like to add that from that time on, Hans became much more cautious, believed much less, and thought things through much more.

  319. Het lesje, dat hij gekregen had, hielp o zoo goed.

    The little lesson he had received helped oh so well.

  320. Ja, ik hoorde voel later Baas Martens eens zeggen:

    Yes, much later I once heard Boss Martens say:

  321. "'k Heb aan' jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger: toen kon ik hem alles wijs maken en nu--is 't heelemaal uit met de grapjes."

    "'I don't get nearly as much pleasure out of young master Hans as I used to: back then I could make him believe anything, and now--the jokes are completely over."

  322. Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik--Hans was daar niet minder om.

    Now, Boss Martens might well talk like that, I think--Hans was none the worse for it.